traduza página para Português
Traduza texto de página do Holandês para o Português

   Zoek op deze site met FreeFind

 

de heilige van de dag
klik hier voor de heilige(n) van de dag

Schriftlezingen van de dag
klik hier voor de liturgische lezingen van de dag

beluister Radio Maria tijdens het surfen, 32 Kb/sec. ('Windows Media Player' vereist)


 

Brugge - cellezusters > augustinessen (1461-)

Willem Fillastre, bisschop van Doornik. Rogier van der Weyden, 1440
Willem Fillastre, bisschop van Doornik. Rogier van der Weyden, 1440

1461 - Op 5 september geeft de vicaris-generaal van het bisdom Doornik aan de "broeders en zusters van de Celle" van Brugge, Gent en Oudenaarde hun eerste statuten (= Leefregel). Ze worden hiermee officiŽel door Rome erkend als volwaardige religieuzen, onder het gezag van de Doornikse bisschop Willem de Fillastre. Ze leven voortaan in gemeenschap, met een strenge scheiding tussen vrouwen en mannen, die in afzonderlijke conventen verblijven. De Cellebroeders blijft men Cellieten of Alexianen noemen. Bij de Cellezusters aanvaarden sommige communiteiten de regel van St.-Franciscus en worden "Grauwe Zusters" genoemd. Andere Cellezusters kiezen de regel van St.-Augustinus.

St.-Augustinus. Houten beeld. Coll. Zwartzusters.
St.-Augustinus. Houten beeld. Coll. Zwartzusters.

Wat schrijven de kloosterstatuten van 1461 voor?
  • De aanvaarding van een nieuwe kandidaat-zuster wordt voorafgegaan door een ernstig onderzoek en door een uitgebreide ondervraging (door 3 zusters) over de geschiktheid van de nieuwkomer voor het kloosterleven. Ook het verloop van de ceremonie voor de aanvaarding is vastgelegd.
  • Na een proeftijd (begeleid door een novenmeesteres) van minstens een jaar volgt de eigenlijke professie. De betrokkene moet minstens 18 jaar oud zijn. De Statuten geven de tekst aan voor het afleggen van de geloften.
  • De kloosterkledij moet zeer eenvoudig zijn. Boven hun zwart kleed dragen de zusters een zwarte sluier en een zwart scapulier.
  • De Statuten geven ook de verplichte vastendagen op.
  • Het gebed, de dagindeling en het getijdengebed zijn geregeld.
  • Tijdens de maaltijden zwijgen de zusters en wordt er voorgelezen uit een godvruchtig boek. Van na het avondeten tot na het morgengebed heerst een strikt "silentium" (= stilzwijgen).
  • Er bestond de discipline, of zelfgeseling: elke vrijdag, 3X per week in de advent en vastentijd.
  • Viemaal per jaar wordt een kapittel gehouden waarop straffen worden uitgesproken voor beleden overtredingen van de regel.
  • Ook het sacramenteel leven is geregeld, zoals om de 14 dagen biecht. De zusters mogen zťlf een biechtvader kiezen: een Cellebroeder die priester is gewijd, een wereldgeestelijke of een pater. Op de 4 hoogdagen moeten de zusters biechten bij hun eigen pastoor en in de parochiekerk de mis bijwonen.
  • De zusters mogen hun geestelijke directeur kiezen uit een van de bedelorden, maar gewoonlijk zorgt de pastoor van de parochie voor hun geestelijk heil.
  • Eens per jaar komt een vrij gekozen visitator naar het klooster. Hij mag echter niets veranderen aan de tekst van de Statuten, dat komt enkel toe aan de bisschop.
  • De statuten zijn erg bekommerd om de lichamelijke gezondheid van de zusters: 4 x per jaar ondergaan ze 3 dagen lang aderlatingen. De Moeder mag om reden van ziekte dispensatie geven aan een zuster nopens de voorschriften en werken van barmhartigheid.
  • De gastvrijheid staat hoog in aanzien.
  • Het bedelen is in de statuten ingeschreven: "Het voedsel en wat noodzakelijk is voor hun levensonderhoud, zullen zij zich verschaffen met de aalmoezen der gelovigen, of door eerzame handenarbeid".

De Cellezusters van Brugge bij hun kloosterprofessie. Fragment van de bescherminsbul van paus Julius II
De Cellezusters van Brugge bij hun kloosterprofessie. Fragment van de kopie (1513)
van de bescherminsbul van paus Julius II (1506)

Op 18 oktober 1461, op de feestdag van het H. Kruis, leggen de 25 Cellezusters van Brugge hun plechtige kloostergeloften af en ontvangen de regel van St. Augustinus. Zij verzaken aan het grijze kledij van de Cellezusters en krijgen het zwarte kloosterkleed van de Augustijner-orde opgelegd. Vandaar komt hun naam Zwartzusters-Augustinessen, die overigens pas in 1520 voor de eerste keer officiŽel zal worden vermeld! In de volksmond heten ze in Brugge nog lange tijd Kastanjeboomzusters of "Aermenzusters van de Castaegneboome", naar de gelijknamige boom die vlak vóór de poort van hun convent staat.

Biddende zuster in de kloosterkapel. Fragment van het St.-Ursula-retabel
Biddende zuster (moeder Jaquemyne Stouts?) in de kapel. Fragment van het St.-Ursula-retabel.

In datzelfde jaar kiezen de Zwartzusters in Brugge hun eerste Moeder, Jaquemyne Stouts. Zij is het wellicht die afgebeeld staat op het paneel, dat het interieur van de kloosterkapel voorstelt, op het vermaarde H. Ursula-veelluik (geschilderd vóór 1482) van de Zwartzusters. Het gaat hier om de oudst bekende voorstelling van een Brugse Zwartzuster.

1464 - De zusters moeten in dat jaar een eigen kloosterkapel hebben gehad. Want de rijke familie de Baenst schenkt op 23 juni het klooster van de Ongeschoeide Karmelieten bij de Carmersbrug "eene groote aelmoesene" (fundatie) van 70 ponden, met de verplichting dat een pater elke dag in het klooster van de zusters een mis te lezen voor de levenden en doden van de familie. Later wordt die overeenkomst tot tweemaal toe gewijzigd: vanaf 1511 komt een Karmeliet enkel nog op weekdagen, en vanaf 1680 (tot de Franse revolutie) nog slechts driemaal per week de mis celebreren..

Het biddend echtpaar de Baenst in de kloosterkapel. Fragment van het St.-Ursula-retabel
Het biddend echtpaar de Baenst in de kloosterkapel.
Fragment van het St.-Ursula-retabel.

1469 - Op 10 maart wordt de eerste steen gelegd van de nieuwe St.-Ursulakapel van het "arm convent" door Moeder Jaquemyne, samen met "Mevrouwe van Sint Jooris", Margriete De Fever, die hoogst waarschijnijk - samen met haar echtgenoot Jan III de Baenst - deze bidplaats heeft geschonken aan de zusters. Het echtpaar behoort tot de hoogste adel. Ridder Jan III de Baenst, Heer van St.-Joris-ten-Distel, is baljuw in Brugge, raadsman van Filips de Goede en Karel de Stoute en 3 jaren burgemeester van de stad.

Paus Sixtus IV. Melozzo da Forlž, 1477. Fresco, Vaticaans Museum
Paus Sixtus IV. Melozzo da Forlž, 1477. Fresco, Vaticaans Museum

1472 - Op verzoek van Karel de Stoute, hertog van BoergondiŽ, bevestigt Sixtus IV in een pauselijke bul alle eerder geschreven bullen en brieven i.v.m. de Cellieten.

  • De Cellebroeders en -zusters worden opgenomen onder de religieuze orden, moeten de regel van St.-Augustinus volgen, zich onderwerpen aan het gezag van de plaatselijke bisschop en het zwarte kloosterhabijt dragen.
  • Hun gemeenschappen hebben het recht om een biechtvader te kiezen, om te beschikken over een priester voor de liturgische diensten in de eigen kapel,
  • De Cellieten mogen een algemene visitator kiezen, die statuten en ordonnanties kon voorschrijven of wijzigen, die voor elk huis een passende biechtvader aanduidt, die de 3 kloostergeloften afneemt volgens de regel van Augustinus, en die de kloosters bezoekt. Voor de Zwartzusters is dat de bisschop van Kamerijk
  • De Cellieten krijgen de toestemming om op hun kapel of kerk een kleine toren met klok te plaatsen en om een kerkhof in te richten.

De kapel van het eerste klooster. Tekening. Brussel, Koninklijke Bibliotheek
De kapel van het eerste klooster van de Zwartzusters. Tekening. Brussel, Koninklijke Bibliotheek

1474 - Op 29 januari wordt de pas voltooide St.-Ursulakapel, samen met het kerkhof van de zusters, ingewijd door de hulpbisschop van Kamerijk. Het jaar daarna verrijst boven de noordzijde van de kapel een vierkant torentje met bol en kruis, met een klok ("schelleken") erin opgehangen. Waarschijnlijk in datzelfde jaar (zeker vóór 1480) bestellen de Zwartzusters bij een onbekende meester het prachtige beschilderd veelluik van St.-Ursula, dat in de vorm van 2 grote panelen op het altaar in de kapel wordt geplaatst, langs weerszijden van het beeld en het reliekschrijn van St. Ursula.

De kapel van het eerste klooster. Fragment van het St.-Ursula-retabel
De kapel van het eerste klooster. Fragment van het St.-Ursula-retabel.

De buitenzijde van de eenvoudige eenbeukige kapel met klokketorentje is waarschijnlijk te zien in het midden van het 4de tafereel (De aankomst van prinses Ursula in Keulen) van het veelluik van St.-Ursula. Dit zou dan de oudst bekende iconografische voorstelling zijn van het klooster der Kastanjeboomzusters.

Het interieur van de 15de-eeuwse kapel staat op het 8ste en laatste paneel van de beroemde H. Ursula-polyptiek. Het middenstuk van het altaar bestond uit een beeld van St.-Ursula als mantelheilige, en daarboven prijkte een verguld of koperen reliekschrijn, met 4 heiligenfiguren (o.m. St. Augustinus) op de voorzijde. Dat schrijn steunde op 4 koperen zijkolommen met zittende leeuw bovenop, die een vlaggenstok vasthoudt. De zijluiken waren waarschijnlijk aan die zuilen vastgemaakt en konden voor het beeld en de reliekkast worden gedraaid, zodat de 8 grisaille-schilderijen op de achterkanten zichtbaar werden.

Op het altaar met eenvoudig antependium (=voorhangsel) ligt een dwaal met daarop een toren-reliekschrijntje, een kandelaar met kaars en een "peisberd" (= paxbord voor de vredeskus).

De pastoor of kapelaan leest in een brevier of gebedenboek, wachtend op gelovigen die de Ursula-reliek komen vereren en wat geld op het altaar leggen. Op het tafeltje achter de priester liggen verscheidene ongebleekte kaarsen, die door het kaarsenvrouwtje aan een pas binnengekomen vrouw worden aangeboden. Boven haar hangen, aan een stang, enkele ex-voto's (giften in was) ter ere van St.-Ursula voor een bekomen genezing. Langs de kapeldeur komt net een man binnen.

De 2 belangrijkste personen knielen vooraan in het midden: het zijn allicht de opdrachtgevers van dit veelluik en de grote weldoeners van de kapel en de zusters, Jan III de Baenst (in wijd blauw kleed), en zijn echtgenote Margriete De Fever (met rood bovenkleed). Vooraan helemaal links knielt een gebaarde pelgrim met een hoed versierd met "vestelkens" (= insignes) en met een "scerpe" (= schoudertas). Nog links, in het midden, knielt een Zwartzuster in de oude kloosterdracht (een zwart kleed met witte kap), waarschijnlijk de Moeder van het klooster.

Interieur van de kapel van het eerste klooster. Laatste paneel van het St.-Ursula-retabel

1475 - Om de kapel te voorzien van de nodige boeken, gewijde vaten (kelken) en paramenten (altaardwalen en liturgische gewaden) hebben de zusters mogen rekenen op vele giften van weldoeners, vooral van de bemiddelde magister Joost Berthilde, die hen ook bedacht in zijn testament. Joos Berthilde is de pastoor van de loden portie (het zuidelijke deel) van de parochie van de O.L.Vrouwkerk, waarin het klooster is gelegen.

Bronzen altaarkandelaar uit de oude kloosterkapel.
Bronzen altaarkandelaar uit de oude kloosterkapel

De bouw en hele inrichting van de kapel heeft de zusters op kosten gejaagd. Joost Berthilde en Antonius de Busscho (Antoon van den Bussche), magister in kerkelijk recht van het bisdom Terwaan, schrijven een brief naar Rome waarin ze vragen dat de zusters op vijf feesten (O.L.V.-Boodschap, Goede Vrijdag, Pasen, Sacramentsdag en de Kerkwijding) speciale aflaten (= kwijtschelding van tijdelijke zondestraffen) mogen verlenen. Ze hopen dat er op die dagen vťťl gelovigen de kloosterkapel zullen bezoeken en een milde financiŽle gift schenken, en zo de schulden van het klooster afbetalen.

Aflaatbul voor de kapel der Brugse Zusters van Bethel
Aflaatbul (1475) voor de kapel van de Zusters van Bethel. (Brugge, Archief Groot Seminarie)

Op 16 december krijgen de zusters van het Vaticaan een bul, met onderaan de zegels van 6 kardinalen, waarin aflaten van 100 dagen worden toegekend, als de voorwaarden zijn vervuld. In dit document wordt het klooster van de Cellezusters of Kastanjeboomzusters in Brugge voor het eerst Bethel genoemd.

1479 - Wanneer in Diksmuide de pest uitbreekt worden, op dringend verzoek van het stadsbestuur, 4 zusters van het "cloostre van den Kerstaengeboome" erheen gestuurd om er de vele "ziecken van pestilentie" te verzorgen en de dodelijke slachtoffers van de epidemie te begraven. Ze stichten in Diksmuide een eerste bijhuis, dat in 2008 werd gesloten. Die verplichtingen van de zusters, in ruil voor geld of giften in natura, zijn veelal vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst of in een testament. Bij de fundaties is de naam van de schenker vermeld, alsook de datum en de kerk of kapel waarin de jaarmis wordt gecelebreerd plus de prebende (broden enz) die de zusters ontvingen.

Kaart met de Zwartzuster-kloosters in ons land op 't einde van de 15de eeuw.
Kaart met de Zwartzuster-kloosters in ons land op 't einde van de 15de eeuw

De weinige bewaard gebleven archiefstukken, waarin de zusters worden vermeld, zijn meestal testamenten. Daaruit leren we dat de Zwartzusters leven van

  • Giften van weldoeners in de vorm van geld, kledingstukken of kunstwerken voor de kapel en/of klooster. Vele Brugse inwoners schenken iets aan de zusters die hen in ziekte en dood bijstonden.
  • Fundaties (= stichtingen) waardoor de schenkers hun zielezaligheid veilig stellen.
  • Jaargetijden, dat zijn jaarlijkse missen voor overledenen. De aanwezige zusters krijgen tijdens de disuitdeling hun deel (in de vorm van geld, kleren, eertwaren) van de "provene" (afgeleid van het Latijnse woord "praebenda"). Er is een gedeelte bewaard gebleven van een "fundatieregister" of "provenenboek", een soort jaaragenda, daterend van vóór 1488, waarin nauwkeurig de fundaties en prebenden (= provenen) zijn opgeschreven.

    De Zwartzuster in onze oude Vlaamse steden. Ets. P. Giffart, 17de eeuw.
    Vlaamse Zwartzuster. Ets. P. Giffart, 17de eeuw

  • Jaarlijkse renten op huizen of stukken land.
  • Eigen huizen. Tussen 1493 en 1495 breiden de zusters het klooster uit door de aankoop van 4 "huysekens, staende aen rechte handt van ons achterpoorte", in de huidige Groeningestraat.
  • Omdat de zusters veel "pro Deo" (= gratis) werken en dus amper in hun levensonderhoud kunnen voorzien, verleent de Brugse magistraat hen bepaalde voorrechten. In sommige gevallen kunnen veroordeelden hun straf voor gerechtelijke overtredingen vervangen of verminderen door het schenken van een aalmoes, vastgesteld door de schout, aan het Kastanjeboomklooster.

© Copyright 2010- . Alle rechten voorbehouden. Contact: zwartzusters.brugge@telenet.be