traduza página para Português
Traduza texto de página do Holandês para o Português

   Zoek op deze site met FreeFind

 

de heilige van de dag
klik hier voor de heilige(n) van de dag

Schriftlezingen van de dag
klik hier voor de liturgische lezingen van de dag

beluister Radio Maria tijdens het surfen, 32 Kb/sec. ('Windows Media Player' vereist)

 

Brugge - voorgeschiedenis (tot 1361)

Het Rooms Convent in de Brugse Katelijnestraat, waar de Cellezusters woonden, de voorloopsters van Zwartzusters van Bethel
Het Rooms Convent in de Brugse Katelijnestraat, waar de Cellezusters woonden,
de voorloopsters van de Zwartzusters van Bethel

Volgens de overlevering werden de Zwartzusters van Bethel in Brugge gesticht in het jaar 1361, ten tijde van de pest aldaar, en bewoonden ze een klooster in de Kastanjeboomstraat, dichtbij de O.-L.-Vrouwkerk. Maar de eigenlijke oorsprong van de Zwartzusters gaat verder terug in de geschiedenis. Hun wortels reiken tot de de 12de-eeuwse hervormingsbeweging van "vrome joncvrouwen" ("ghewillige aermen van Christus"), de begijnenbeweging in de 13de eeuw en tenslotte de Cellieten (m.n. de Cellezusters, de vrouwelijke tak ervan) in de 14de eeuw, waaruit de Zwartzusters in Brugge direct zijn ontstaan.

"ghewillige aermen van Christus"

...de gevangenen bezoeken, de zieken verzorgen, de doden begraven"
(De 7 werken van barmhartigheid. Miniatuurreeks van Jean Dreux, 1468-1477)

Vanaf het einde van de 11de eeuw komt in héél Westelijk Europa, vooral in de Lage Landen langs Rijn, Maas en Schelde, spontaan een hervormingsbeweging op gang, als tegengewicht voor de vele misstanden in Kerk en samenleving. Het gaat om vrome mannen ("viri boni") en vrouwen ("mulieres religiosae") die een teruggetrokken en eenvoudig kluizenaarsbestaan leiden en zich toewijden aan werken van naastenliefde (de 7 werken van barmhartigheid). Ze beleven de zelfgekozen evangelische armoede en zetten zich heldhaftig in voor armen, zieken, stervenden, behoeftige reizigers enz.

Vrome vrouw uit de 12de eeuw. Duitse miniatuur.
Vrome vrouw uit de 12de eeuw. Duitse miniatuur

Deze "aermen van Christus" ("pauperes Christi") verblijven niet in een klooster, maar worden toch niet beschouwd als gewone leken. Ze leven afgezonderd van de wereld, maar toch niet in kloosterverband. Ze onthouden zich meestal van het huwelijk hoewel ze niet gebonden zijn door de religieuze gelofte van maagdelijkheid. Door het beoefenen van de 7 christelijke werken van barmhartigheid en door een diepe vroomheid streven ze naar volmaaktheid en betreden ze de moeilijke weg van de navolging van Jezus, zoals in de eerste eeuwen van het Christendom.

de begijnen-beweging

Het wereldvermaarde begijnhof van Brugge
Het wereldvermaarde begijnhof van Brugge

Na verloop van tijd neemt het aantal verspreid levende vrome mannen en vrouwen toe. Ze gaan ze zich spontaan verenigen in kleine semi-kloosterlijke groepen, bij voorkeur in de nabijheid van een kerk of een kapel en onderhouden zichzelf door inkomsten uit eigen arbeid. Na verloop van tijd groeperen ze zich in conventen, veelal rond gasthuizen voor pelgrims, hospitalen en leprozerijen. Zo ontstaan vanaf omstreeks het jaar 1215 tientallen begijnhoven in de Nederlanden, Noord-Frankrijk, Brabant, Luik en de Rijnstreek. Deze begijnhoven vormen woonkernen ("beluik" of "hofje") van vrome vrouwen, in onze gewesten begijnen genaamd, die elk in een afzonderlijk klein huisje verblijven.

In tegenstelling tot kloosterzusters, die eeuwige geloften afleggen, beloven de begijnen om slechts voor een bepaalde tijd te leven in soberheid en kuisheid en leven ze van hun eigen vermogen of inkomsten. Ze zijn vrij om uit te treden en om daarna te huwen. De kerkelijke overheid bekijkt deze vrome vrouwen (begijnen) met toenemende argwaan, omdat ze zich niet aansluiten bij bestaande erkende kloosterorden en door hun onafhankelijkheid ontsnappen aan haar controle.

Vanaf 1290 worden de begijnen en de begarden (hun mannelijke tegenhangers) verdacht gemaakt, beschuldigd wegens ketterij en soms zelfs hiervoor vervolgd en ter dood veroordeeld. In 1311 neemt het Concilie van Vienne maatregelen. Enkel de begijnen worden nog geduld die

  • gehoorzamen aan statuten, die door de plaatselijke bisschop zijn goedgekeurd
  • zich vrijwillig samenvoegen in één convent (ook godshuis genoemd), onder de leiding van een kloosterling (meesteres) of een priester.

de Cellieten

Het voormalig Cellieten-klooster in Gent. Joseph Van Haerde, 19de eeuw. Gent, Museum Dr. Guislain
Het voormalig Cellieten-klooster in Gent. Joseph Van Haerde, 19de eeuw. Gent, Museum Dr. Guislain

Omdat ze verplicht worden een kloosterregel aan te nemen sluiten veel vrome leken uit de religieuze beweging van begijnen én begarden zich aan bij de Cellieten. De Cellieten (zowel bestaande uit Cellebroeders als Cellezusters) ontstonden vermoedelijk rond het jaar 1300 en verspreiden zich vrij vlug in onze streken. Hun naam is hoogst waarschijnlijk afgeleid van het Latijnse woord "cella" (= cel, kamer of zelfs huisje). Oorspronkelijk wonen ze, zoals de begijnen en begarden, als asceten of kluizenaars, teruggetrokken in de eenzamheid van hun afzonderlijke cel, huis, gegroepeerd rond een kerk of kapel.

Cellieten zijn aanvankelijk vrome leken, dus ook geen kloosterlingen in de moderne zin van het woord. Ze leggen geen formele geloften af van gehoorzaamheid, zuiverheid en armoede. Maar tegen halfweg de 14de eeuw onderwerpen de Cellieten zich, onder druk van de plaatselijke bisschoppen, aan de kloosterregel van St.-Augustinus. Ze dragen binnenshuis een wit wollen habijt en buiten een ruw zwart wollen kleed met leren gordel, met zwart scapulier en kap er bovenop. Op hun schouders rust een lange grijze mantel met brede plooien.

Begrafenis van pestslachtoffers in Doornik. Gilles le Muiset, 1349
Begrafenis van pestslachtoffers in Doornik. Gilles li Muisit, 1349

De Cellieten leggen zich toe op het verzorgen van arme zieken ten huize, leprozen (= melaatsen), krankzinnigen en vooral pestlijders. Meestal zijn ze gevestigd in een dubbelklooster bij een hospitaal, gasthuis (voor behoeftige reizigers en pelgrims) of leprozerij. De mannen (Cellebroeders, ook wel "aerme broeders", "broeders van de celle", "broeders der barmhartigheid" of "broeders Alexianen" genoemd) zijn streng afgezonderd van de vrouwen (Cellezusters ofwel "aerme zusters" geheten). In Brugge is er géén dubbelklooster. Volgens de overlevering wonen er vanaf 1361 Cellezusters in Brugge. De Cellebroeders zullen zich pas ruim een eeuw later, in 1470, in de stad vestigen.

"'t Roomsch Convent van joncvrouwen"

Akte van erfscheiding van het Rooms Convent. Brugse oorkonde, 23 maart 1348
Akte van erfscheiding van het Rooms Convent. Brugse oorkonde, 23 maart 1348

1348 - Er is een Brugse oorkonde uit 1348 bewaard gebleven, met op de achterkant een akte van erfscheiding (23 maart). Daarin is sprake van een "alemoesen huze", "Roomsche Convent" geheten, sinds 1330 bewoond door alleenstaande "joncvrouwen genaemt ghewillighe aermen". Dat godshuis "Roomsche Convent" stond aan de huidige Katelijnestraat 9-19 en is nu het oudste nog bestaande godshuis in Brugge.

Via een onopvallend poortje leidt een smal steegje naar het Rooms Convent, gebouwd in L-vorm rond een binnentuin.
Via een onopvallend poortje leidt een smal steegje naar dit beluik "Rooms Convent",
gebouwd in L-vorm rond een binnentuin.

Volgens de priester-historicus Antoon Viaene zijn deze "joncvrouwen" (synoniem voor begijnen), die leefden in het "Roomsch Convent" onder het gezag van de (eerste bekende) meesteres Adelise van Ravenschoot, de directe voorloopsters van de Brugse Cellezusters. Maar enkel in officiële stukken is er sprake van Cellezusters, in de dagelijkse omgang zullen ze tot halfweg de 15de eeuw "Aermen Zusters" of "Zwarte Zusters van Bethel" worden genoemd, en later (tot de Franse Revolutie) vooral "zusterkins vanden Castaignieboome" ("Kastanjeboomzusters"), omdat vlak voor het latere klooster een majestueuze kastanjelaar stond.

1360 - Er breekt in Brugge een verschrikkelijke pestepidemie uit: "Zulc een vierighe ende moorddadighe pestilentie dat die lieden, die snuchtens van gheender zwaricheit en wisten, allomme in grooter menichte snavents een lyck waren", aldus de kroniekschrijver Andries de Smet. "Die lieden waren smorghens fray, snoens siec, ende des avents doot", lezen we in "Die excellente Cronike van Vlaenderen". Waarschijnlijk zijn de Cellezusters gevraagd door het stadsbestuur om "besmette lieden by te staen", en de doden te begraven.

© Copyright 2010- . Alle rechten voorbehouden. Contact: zwartzusters.brugge@telenet.be